Je bekijkt nu Papa, hou je van mij?

Papa, hou je van mij?

“Papa, hou je van mij?” Papa kijkt even op. “Mijn lieve kind, natuurlijk hou ik van jou.”

Het kind hoort de woorden. Maar toch blijft het even stil. Het probeert ze te voelen. Natuurlijk hou ik van jou. Maar ergens komen de woorden niet helemaal binnen.

Papa is alweer bezig. Er is nog zoveel te doen. “Het werk stopt nooit,” zegt hij. “Er moet gewerkt worden.”

Het kind kijkt naar hem. Het had ergens gehoord dat papa zo hard moest werken voor het gezin. Voor hem. En plots komt er naast het verlangen naar liefde ook iets anders: een klein schuldgevoel. Papa werkt zo hard voor mij… Misschien mag ik dan niet te veel vragen. Misschien moet ik hem laten werken.

Maar toch probeert het nog één keer. “Papa… hou je echt van mij?”

“Natuurlijk hou ik van jou,” antwoordt papa, terwijl zijn handen gewoon verdergaan met wat ze aan het doen waren.

En deze keer vraagt het kind niets meer. Het gaat spelen. Maar diep vanbinnen blijft iets achter. Papa zegt dat hij van mij houdt. Dus misschien is dit liefde:

  • Hard werken.
  • Zorgen.
  • Doorgaan.
  • Presteren.
  • Geen tijd hebben.
  • Jezelf opzijzetten voor de mensen van wie je houdt.

Misschien heeft papa nooit gelogen. Misschien hield hij ontzettend veel van zijn kind. Misschien was dit gewoon de taal waarin hij zelf liefde had leren spreken.

En het kind groeit op. Het wordt volwassen. Het werkt hard. Het zorgt. Het doet. Het draagt. Het probeert alles goed te doen. Rust nemen voelt soms ongemakkelijk. Niets doen voelt bijna verkeerd. Want ergens diep vanbinnen leeft nog die oude verbinding: Als ik van iemand hou, dan zorg ik. Dan werk ik. Dan doe ik mijn best. Dan blijf ik doorgaan.

En op een dag wordt dat kind zelf papa. Er komt een klein kindje in zijn leven. Hij houdt van dat kind. Diep. En juist omdat hij zoveel van zijn kind houdt, wil hij ervoor zorgen. Dus werkt hij. En werkt hij. En doet hij zijn best.

Tot op een dag een klein stemmetje vraagt: “Papa, hou je van mij?”

“Natuurlijk,” zegt hij. “Wat denk je?”

En terwijl hij alweer verdergaat met wat nog gedaan moet worden, blijft het kindje stil. Het kijkt naar zijn papa. En ergens begint opnieuw dezelfde vraag: Als papa van mij houdt… waarom kan ik het dan niet altijd voelen?

En zo kan een verhaal zich verder bewegen. Niet omdat er geen liefde was. Maar omdat we soms de vorm van liefde doorgeven die we zelf hebben leren kennen.

Misschien was papa thuis, maar niet werkelijk aanwezig zoals jij hem nodig had. Misschien werkte hij juist zo hard omdat dát voor hem zorgen betekende. Misschien zei hij weinig, maar dacht hij dat alles wat hij deed genoeg vertelde. En misschien heb jij daar als kind je eigen betekenis aan gegeven.

Daarom kan het waardevol zijn om vandaag eens heel zacht naar binnen te kijken: Welke vorm van liefde heb ik van mijn vader geleerd?

  • Moest liefde verdiend worden?
  • Was liefde zorgen voor iedereen behalve jezelf?
  • Was liefde hard werken?
  • Was liefde sterk blijven?
  • Was liefde doorgaan, ook wanneer je moe was?
  • Of heb je geleerd dat iemand van je kan houden en toch emotioneel ver weg kan voelen?

En herken je daar vandaag nog iets van?

  • In je relaties.
  • In je werk.
  • In hoeveel je van jezelf vraagt.
  • In hoe moeilijk het soms is om rust te nemen.
  • In hoe je liefde geeft aan je eigen kinderen.

Niet om papa de schuld te geven. Niet om te zeggen dat zijn liefde niet echt was. Maar misschien juist om te kunnen zien: Papa gaf liefde vanuit wat hij kende en kon geven. Ik heb die liefde ontvangen op de manier waarop ik haar als kind kon begrijpen. En vandaag mag ik ontdekken welke vorm van liefde ík wil leven en doorgeven.

Misschien hoeft het verhaal dan niet exact hetzelfde verder te gaan. Misschien kan liefde naast werken ook aanwezig zijn worden. Naast zorgen ook voelen. Naast geven ook ontvangen. Naast doorgaan ook rusten.

En misschien kunnen we op een dag tegen het kind in onszelf zeggen: “Je hoefde niets te presteren om liefde waard te zijn. Je mocht gewoon kind zijn.”

De liefde aanwezig kan zijn, maar dat een kind liefde leert herkennen in de vorm waarin ze wordt gegeven — en die vorm later onbewust kan doorgeven.